02-07-2019

Parijs, juli 2018

Het is een zonnige dag en ik ben in Parijs. Het zou het begin van een fijne roman, een mooie brief, of iets anders nostalgisch kunnen zijn - in dit geval is het het begin van een vage herinnering. Ik zat op een terrasje, nipte af en toe aan mijn veel te dure koffie, sloeg het aanbod om een dure macaron erbij te bestellen af. Ik kan me herinneren dat ik op een toeristische plek was, bij het Louvre in de buurt, of de Notre Dame, ik weet het niet precies - maar het was een van die achterafstraatjes die het begin van het minder toeristische gedeelte markeert, waar koffie per straat weer een cent of vijf goedkoper wordt. Om me heen drentelen wat verdwaalde mannen met korte broeken en dure camera’s en zonnebrillen met druppeltjes zweet die ook door de weerspiegelende laag niet weerhouden kunnen worden, met kinderen aan de arm die eigenlijk veel liever in de buurt van het zwembad dan in de buurt van een oud gebouw zouden zijn. Ik kan me herinneren dat ik aan mijn koffie nipte ondanks dat deze zeker koud of al leeg was omdat het tegen een uur of zes aanliep en de vrouw die me had geholpen ook vast en zeker naar huis wilde, en hoewel ik me normaal gesproken gehaast zou voelen stelde ik het vertrekken voor één keer uit, nog één kwartiertje langer, want het leven was even veel te fijn om mijn spullen snel te verzamelen om richting het koele hostel te banjeren. Zo zat ik een beetje te denken over hoe fijn mijn reis was, hoe vermoeid mijn schouders van het zware sjouwen maar hoe vol mijn buik van de Franse snacks waar ik keer op keer geen nee tegen kon zeggen - toen ik voelde dat iemand naar me keek. Dat is een gevoel dat je soms bekruipt, een prikkel ergens in je schouder die naar je brein signaleert dat ergens iemand naar je staart - en hoewel ik er meestal niet aan toegeef omdat het hoe dan ook engig of teleurstellend is, keek ik op, recht in de lens van een grote camera. Om de hand van een jongen van mijn leeftijd bungelde een camera, ik gok dat het een echt oudje was, zo een met rolletjes die je in donkere kamers moet ontwikkelen en waarvan de uitkomst altijd een verrassing is - en de jongen riep in gebrekkig Engels, ‘can I take a picture?’. Ik knikte ja, keek weer naar het boek dat ik net had aangeschaft, probeerde mijn ogen een seconde of vijf te focussen op het blauwe kaft voor me, tot dit onnatuurlijk en geforceerd aan begon te voelen. Ik besloot weer op te kijken, langzaam, met de snelheid die vast en zeker vastgelegd zou worden op beeld in mijn achterhoofd. De straat voor me was leeg. Er liepen nog wat mannetjes met korte broeken die dezelfde bedruppelde zonnebrillen op hun neuzen droegen, maar de jongen die mij net voor altijd vastlegde was verdwenen. Ik nipte nog even snel aan mijn koffie waarvan de barista binnen vast en zeker wist dat hij al op was, bracht het kleine kopje naar binnen. Ik sloeg een straat in, naar een supermarkt om een stokbrood te kopen met wat jam, in de hoop dat dit een telepathisch signaal uit zou zenden dat de fotograaf mijn kant uit zou sturen, ook al zou ik normaal helemaal niet zo nadenken - maar het heeft niet mogen baten. Ergens op deze aardbol, misschien is het in Parijs maar misschien is het in Singapore, zweeft een foto van mijn hoofd, al dan niet ontwikkeld - ergens op deze aardbol zweeft een persoon die tijdens dit verhaal aan de andere kant van het vizier stond - maar er achter komen zal ik nooit want de dag erna zat ik weer terug in de trein, veilig naar Amsterdam.

1 opmerking:

  1. aah zo grappig om te weten dat die jongen nu misschien naar die foto zit te kijken met jouw hoofd erop, hihi! heel erg mooi geschreven trouwens!

    BeantwoordenVerwijderen